Bv kan herinvesteringsvoornemen niet aannemelijk maken

Bv kan herinvesteringsvoornemen niet aannemelijk maken

Een bv die een bedrijfspand verkoopt en de boekwinst wil parkeren in een herinvesteringsreserve (HIR) moet wel kunnen aantonen dat er echt plannen zijn voor herinvestering. Alleen zeggen dat er een voornemen bestaat, is daarvoor niet voldoende. Dit blijkt uit een recente uitspraak van rechtbank Gelderland.

Met een herinvesteringsreserve kan een onderneming belastingheffing over de boekwinst op een verkocht bedrijfsmiddel tijdelijk uitstellen. Voorwaarde is wel dat de ondernemer of bv van plan is om opnieuw te investeren in een ander bedrijfsmiddel. De behaalde boekwinst wordt dan toegevoegd aan de HIR en is op dat moment nog niet direct belast. Maar de Belastingdienst kijkt daarbij wel kritisch naar de onderbouwing van het herinvesteringsvoornemen, zoals ook blijkt uit onderstaande zaak.

Toevoeging aan de HIR afgekeurd

De zaak draaide om een bv die in 2019 een bedrijfspand verkocht voor € 1.050.000. Het ging om een autoshowroom met werkplaats die werd verhuurd aan een gelieerde bv. De fiscale boekwaarde van het pand bedroeg op het moment van verkoop € 488.971. De behaalde boekwinst kwam daarmee uit op € 546.029. De bv voegde de volledige boekwinst toe aan een herinvesteringsreserve in de aangifte vennootschapsbelasting 2019. De inspecteur accepteerde de toevoeging aan de reserve echter niet. Volgens de fiscus had de bv onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er op balansdatum daadwerkelijk sprake was van een herinvesteringsvoornemen.

Gedragingen moeten het voornemen ondersteunen

De rechtbank benadrukte dat voor een HIR niet alleen gekeken moest worden naar de interne bedoeling van een ondernemer of bv. Het herinvesteringsvoornemen moest ook blijken uit concrete gedragingen en handelingen richting de buitenwereld. Alleen verklaren dat de opbrengst opnieuw wordt geïnvesteerd, was dus niet genoeg. Er moesten objectieve aanwijzingen zijn waaruit bleek dat er daadwerkelijk stappen waren gezet richting een herinvestering.

Notulen en verklaringen onvoldoende

De bv probeerde het voornemen nog te onderbouwen met verschillende stukken. Zo werden notulen van een directievergadering overlegd waarin stond dat de boekwinst gebruikt zou worden voor nieuwe investeringen in vastgoed. Ook kwamen er verklaringen van derden, een adviseur en (uiteindelijk) een makelaar op tafel. Toch vond de rechtbank dat onvoldoende. De notulen werden namelijk niet ondersteund door objectieve gegevens waaruit concrete actie bleek. Ook de verklaringen van derden overtuigden de rechtbank niet. Daarbij speelde mee dat sommige bezichtigingen van panden al in 2017 hadden plaatsgevonden. Dat was dus nog vóór de verkoop van het pand in 2019. Volgens de rechtbank zei dat weinig over een herinvesteringsvoornemen op de balansdatum.

Direct toegang tot exclusieve artikelen? Lees Professional met een gratis account.

Achteraf opgestelde verklaring helpt niet

Ook de verklaring van een makelaar kon de bv niet redden. Die verklaring werd pas in de bezwaarfase ingebracht en bevatte een achteraf opgestelde bevestiging van een mondelinge opdracht. De rechtbank vond dat niet geloofwaardig. Zeker omdat de bv eerder juist had verklaard dat geen makelaar was ingeschakeld bij het zoeken naar vervangend vastgoed. Pas later veranderde dat verhaal. De conclusie van de rechtbank was dan ook dat de inspecteur de toevoeging aan de herinvesteringsreserve terecht had geweigerd.
Rechtbank Gelderland 1 april 2026, ECLI (verkort): 

Van EZ naar Beschermende BV-structuur
Masterclass: de Beschermende BV-structuur
Gratis Gesprek: Beschermende BV-structuur

© 2026 VRB Adviesgroep | All rights reserved | Next Lead